
Jurisprudentie
AF1077
Datum uitspraak2002-11-13
Datum gepubliceerd2002-12-04
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
ZaaknummersAWB 02 / 127 GEMWT
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2002-12-04
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
ZaaknummersAWB 02 / 127 GEMWT
Statusgepubliceerd
Indicatie
Art. 4:6 Awb kan ook worden toegepast indien geen sprake is van een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking; in casu ten aanzien van verzoek om last onder dwangsom in te trekken.
Na constatering dat werd gebouwd in afwijking van verleende bouwvergunning is bij besluit van 31 mei 2000 een last onder dwangsom opgelegd. Tegen de ongegrond-verklaring van de bezwaren tegen de dwangsomoplegging is geen beroep ingesteld, zodat dit besluit onherroepelijk is geworden.
Eisers hebben vervolgens verweerder verzocht om de last onder dwangsom in te trekken. Bij het bestreden besluit is de weigering om de last in te trekken gehandhaafd.
Hoewel het dwangsombesluit van 31 mei 2000 op zich niet kan worden aangemerkt als een afwijzende beschikking in de zin van art. 4:6.1 Awb is de rechtbank, gelet op doel en strekking van dit artikel, van oordeel dat verweerder het verzoek van eisers met recht heeft kunnen behandelen overeenkomstig het bepaalde in dit artikellid. Hieruit vloeit voort, dat het op de weg ligt van eisers, die van het tot beslissen bevoegd gezag verlangen dat het terugkomt op een eerder rechtens onaantastbaar geworden besluit, feiten of omstandigheden aan te dragen die bij de eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld en evenmin als beroepsgrond destijds naar voren gebracht hadden kunnen worden. Eisers zijn daarin niet geslaagd. De door eisers aangevoerde argumenten hadden naar voren gebracht dienen te worden in een procedure naar aanleiding van de opgelegde last onder dwangsom, dan wel in een verzetprocedure naar aanleiding van het uitgereikte dwangbevel. Ongegrond beroep.
Het college van burgemeester en wethouders van Onderbanken, verweerder.
mr. T.E.A. Willemsen
Uitspraak
RECHTBANK MAASTRICHT
Reg.nr: AWB 02/127 GEMWT I
UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen
A en B te C, eisers,
en
het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Onderbanken, gevestigd te Onderbanken, verweerder.
Datum bestreden besluit: 4 december 2001.
Kenmerk: LSTE/2001/6349.
Behandeling ter zitting: 6 november 2002
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE PROCEDURE
Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 4 december 2001 (verzonden 6 december 2001) heeft verweerder - voor zover thans van belang - het door eisers op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediende bezwaarschrift tegen verweerders besluit van 24 juli 2001 ongegrond verklaard.
In laatstgenoemd besluit heeft verweerder geweigerd een op 8 juni 2000 aan eisers uitgereikte last onder dwangsom, ten aanzien van het bouwen zonder bouwvergunning en in afwijking van een op 14 oktober 1997 verleende bouwvergunning op een perceel aan de […]straat 49 te C (gemeente Onderbanken), in te trekken.
Tegen het besluit van 4 december 2001 hebben eisers bij schrijven van 15 januari 2002 beroep ingesteld bij deze rechtbank. In het beroepschrift hebben eisers medegedeeld dat de heer X als hun gemachtigde optreedt.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eisers gezonden. De inhoud van deze stukken dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 6 november 2002, alwaar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door X. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer mr. F.J.M.L. Hendrikx en mevrouw drs. W.H.J.M. Smeets, ambtenaren der gemeente.
II. OVERWEGINGEN
Op 24 februari 1996 zijn bouwactiviteiten op het perceel aan de […]straat 49 te C (gemeente Onderbanken) geconstateerd. Naar aanleiding van deze constatering hebben eisers op 24 oktober 1996 een schetsplan ingediend. Op 19 december 1996 is de bouwvergunning voor de betreffende uitbreiding van de woning geweigerd omdat deze in strijd was met het bestemmingsplan […]”. De vergunning is geweigerd omdat de uitbreiding van de woning in strijd was met artikel 3, lid a, van het bestemmingsplan waarin was aangeduid dat er maximaal vier huizen aaneen mogen worden gebouwd. Na realisering van het bouwplan zouden er zes huizen aaneengebouwd zijn. Door eisers is geen bezwaar gemaakt tegen de weigering van de bouwvergunning, zodat die weigering onherroepelijk is geworden.
Na de weigering van de bouwvergunning is in nauw overleg met de gemeente gezocht naar een oplossing die in overeenstemming zou zijn met het geldend bestemmingsplan. Dit heeft erin geresulteerd dat aan eisers op 14 oktober 1997 een bouwvergunning is verleend voor de realisatie van een tuinkamer met een open terras en een zolder, hetgeen wel in overeenstemming was met het bestemmingsplan “[…]”.
Op 3 februari 1998 is geconstateerd dat eisers bouwden in afwijking van de op 14 oktober 1997 verleende bouwvergunning. De ambtenaar van Bouw- en Woningtoezicht heeft eisers bevolen de bouwwerkzaamheden onmiddellijk te staken. Tevens werd eisers verzocht voor 1 maart 1998 bouwkundige tekeningen in te dienen waarop de gewijzigde (en dus werkelijke) situatie was aangegeven teneinde te kunnen beoordelen of legalisatie mogelijk was. Aan dit - nadien op 23 maart 1999 en 5 juli 1999 herhaald - verzoek hebben eisers geen gehoor gegeven.
Aangezien bij verweerder het vermoeden bestond dat eisers geen gehoor gaven aan het bevel tot staking van de bouwactiviteiten, heeft verweerder besloten tot oplegging van een dwangsom van f 500,-- per overtreding met een maximum van f 25.000,--. Dit is aan eisers medegedeeld bij schrijven van 9 februari 1998 (verzonden 16 februari 1998). De bouwactiviteiten waren toen tot aan het dak gevorderd. Daarna heeft verweerder enige tijd geen bouwactiviteiten waargenomen omdat er een groot oranje zeil over de stilgelegde bouwactiviteiten was getrokken.
Op 18 januari 2000 is - na verwijdering van het oranje zeil - geconstateerd dat eisers de bouwactiviteiten hadden voortgezet en hadden gebouwd volgens de op 19 december 1996 geweigerde bouwvergunning
Op 18 februari 2000 heeft verweerder eisers een voorwaarschuwing tot bestuursdwang toegezonden.
Bij schrijven van 31 mei 2000 (door deurwaarder Eussen op 8 juni 2000 aan eisers uitgereikt) is aan eisers vervolgens een last onder dwangsom opgelegd. Tegen dat besluit is door eisers bezwaar gemaakt. Bij besluit van 10 oktober 2000 (verzonden 12 oktober 2000) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Tegen de beslissing op bezwaar is door eisers geen beroep ingesteld zodat de opgelegde last onder dwangsom onherroepelijk is geworden.
Bij schrijven van 3 juli 2001 hebben eisers zich tot verweerder gewend met het verzoek de aan eisers op 8 juni 2001 uitgereikte last onder dwangsom, ten aanzien van het bouwen zonder bouwvergunning en in afwijking van de op 14 oktober 1997 verleende bouwvergunning op een perceel aan de […]straat 49 te C (gemeente Onderbanken), in te trekken.
Eisers hebben daartoe met name aangevoerd dat de omstreden bouw onder het vigerende bestemmingsplan “Woonkernen” kan worden gerangschikt onder het begrip “bijgebouw” in de zin van genoemd bestemmingsplan, zodat geen reden meer zou bestaan om dwangmatig op te treden tegen het bouwwerk. Door eisers is in dat verband tevens een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar uitbreiding van de woning op het perceel […]straat 51, welke uitbreiding eveneens is aangemerkt als bijgebouw in de zin van het bestemmingsplan Woonkernen.
Verweerder heeft bij besluit van 24 juli 2001 afwijzend beslist op het verzoek van eisers. Bij schrijven van 24 augustus 2001 hebben eisers tegen die afwijzing bezwaar gemaakt.
Naar aanleiding van hun bezwaar zijn eisers op 8 oktober 2001 gehoord door de Commissie Bezwaar- en Beroepschriften, een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb. Overeenkomstig het advies van deze commissie heeft verweerder bij het thans bestreden besluit eisers bezwaren tegen het besluit van 24 juli 2001 ongegrond verklaard.
Eisers hebben zich ook met dit besluit niet kunnen verenigen en hebben daartegen bij schrijven van 15 januari 2002 beroep ingesteld bij deze rechtbank. In beroep voeren eisers - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende aan:
- Ten onrechte wordt uitgegaan van een blok van zes aan elkaar gebouwde woningen. De plaats gehad hebbende uitbreiding kan niet aangemerkt worden als een zelfstandige woning omdat de gerealiseerde bijbouw slechts toegankelijk is via de bestaande woning […]straat 49. Bovendien is niet aangebouwd aan de naastliggende woning […]straat 51;
- Onder verwijzing naar een uitbreiding van de woning op het perceel […]straat 51 wordt een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel;
- Anders dan voor het buitengebied van de gemeente Onderbanken, zijn voor de onderscheidene kernen tot nu toe geen beleidsregels met betrekking tot de handhaving ontwikkeld, noch openbaar gemaakt;
- De hoogte van de dwangsom staat niet in redelijke verhouding tot de ernst en de omvang van de gepleegde overtreding;
- De bouw is nimmer stil gelegd en de bouw is gedurende ruim twee jaar ongemoeid gelaten waardoor bij eisers de verwachting is gewekt dat de bouw verder ongemoeid zou worden gelaten.
Eisers vragen de rechtbank om het beroepschrift gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en verweerder te veroordelen in de proceskosten.
De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat verweerder eisers bij brief van 22 oktober 2002, waarvan een afschrift aan de rechtbank is gezonden, heeft bericht dat de dwangsomaanschrijving van 31 mei 2000 is ingetrokken. Gebleken is dat dit besluit is gegrond op de overweging dat met de last onder dwangsom niet het beoogde doel, namelijk beëindiging van de overtreding, is bereikt. Met het oog hierop, zo is in deze brief aangegeven, heeft verweerder besloten het middel van bestuursdwang in te zetten. Omdat gelijktijdige inzet van bestuursdwang en dwangsom niet is toegestaan, wordt de last onder dwangsom ingetrokken.
Omdat naar de mening van verweerder met deze brief alsnog aan het verzoek van eisers is voldaan, heeft de vertegenwoordiger van verweerder ter zitting betoogd dat het thans aan de orde zijnde beroep van eisers niet ontvankelijk verklaard dient te worden.
De rechtbank deelt die opvatting van verweerder niet. Gebleken is dat de reeds geïnde dwangsommen niet door verweerder zullen worden gerestitueerd, zodat geoordeeld moet worden dat er ook thans nog voldoende belang aan de zijde van eisers bestaat bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
De rechtbank dient thans, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:69 van de Awb, te beoordelen of verweerder het bestreden besluit terecht en op goede gronden heeft genomen.
Ter beoordeling ligt voor de weigering van verweerder om over te gaan tot intrekking van de opgelegde last onder dwangsom. Uitdrukkelijk staat niet ter discussie de bevoegdheid van verweerder om over te gaan tot het opleggen van die last of de invordering van de inmiddels verbeurde dwangsommen.
Verweerder heeft het bestreden besluit doen steunen op artikel 4:6 van de Awb.
Artikel 4:6 van de Awb bepaalt:
“1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.”
Bij besluit van 31 mei 2000 is door verweerder omtrent de last onder dwangsom beslist. Zoals in het vorenstaande reeds is overwogen, is dit besluit, nu daartegen geen bezwaar is gemaakt, onherroepelijk geworden.
Eisers hebben vervolgens verweerder verzocht om de last onder dwangsom – waarmee wordt beoogt eisers aan te zetten tot het afbreken van het gerealiseerde bouwwerk, althans dat bouwwerk in overeenstemming te brengen met een wel verleende bouwevergunning – in te trekken.
Hoewel het dwangsombesluit van 31 mei 2000 op zich niet kan worden aangemerkt als een afwijzende beschikking in de zin van artikel 4:6, eerste lid, is de rechtbank, gelet op doel en strekking van dit artikel, van oordeel dat verweerder het verzoek van eisers met recht heeft kunnen behandelen overeenkomstig het bepaalde in dit artikellid.
Uit het hiervoor overwogene vloeit voort, dat het op de weg ligt van eisers, die van het tot beslissen bevoegd gezag verlangen dat het terugkomt op een eerder rechtens onaantastbaar geworden besluit, feiten of omstandigheden aan te dragen die bij de eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld en evenmin als beroepsgrond destijds naar voren gebracht hadden kunnen worden.
Eisers erkennen dat is gebouwd in afwijking van de verleende bouwvergunning. Zij erkennen eveneens dat de opgelegde last onder dwangsom - afgezien van de hoogte van de dwangsom - naar de stand van zaken in 1997-2000 in beginsel als gerechtvaardigd kan worden geoordeeld.
Zij beroepen zich echter op nieuwe feiten en omstandigheden op grond waarvan de opgelegde last ingetrokken dient te worden.
Namens eisers is aangevoerd dat door verweerder is uitgegaan van een onjuiste voorstelling van zaken aangezien geen sprake is van zes aaneengebouwde woningen nu het opgerichte bouwwerk slechts toegankelijk is vanuit de bestaande woning […]straat 49. Bovendien zou niet zijn aangebouwd aan de naastliggende en vrijstaande woning […]straat 51.
De rechtbank overweegt dienaangaande dat eisers tijdens de hoorzitting op 8 oktober 2001 hebben erkend dat op het perceel […]straat 49 sprake is van 2 woningen. Dat die woning niet zelfstandig toegankelijk is, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Blijkens de zich bij de stukken bevindende foto’s is het bouwwerk bovendien wel degelijk tegen de woning […]straat 51 aangebouwd. Eisers hebben hun stelling, dat zulks niet het geval is, ook niet nader onderbouwd. Integendeel, zij spreken in hun beroepschrift over het dichten van een gapend gat, waaruit nu juist kan worden afgeleid dat wel degelijk tegen de woning […]straat 51 is aangebouwd. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet gezegd worden dat verweerder is uitgegaan van een verkeerde voorstelling van zaken. Daar komt nog bij dat eisers dit argument ook als beroepsgrond naar voren hadden kunnen brengen in de procedure naar aanleiding van de opgelegde last onder dwangsom, hetgeen zij hebben nagelaten.
Eisers hebben voorts, onder verwijzing naar een uitbreiding van de woning […]straat 51, een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Het bouwwerk aan de […]straat 51 is aangemerkt als bijgebouw in zin van het thans geldende bestemmingsplan “Woonkernen”. Eisers merken dit aan als een nieuw feit en stellen zich op het standpunt dat ook het bouwwerk in casu aangemerkt dient de worden als een bijgebouw. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen nu van gelijke gevallen geen sprake is. De woning aan de […]straat 51 betrof een vrijstaande woning. Op het bouwwerk aan de […]straat was een ander planologisch regime van toepassing, namelijk het bestemmingsplan “[…]straat”. Bovendien was de uitbreiding van de woning op de […]straat van een geheel andere orde en grootte. Boven alles dient echter te worden gesteld dat hier geen sprake is van een nieuw feit.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat ook het nieuwe bestemmingsplan “Woonkernen” niet als een nieuwe omstandigheid aangemerkt kan worden nu dat bestemmingsplan reeds op 22 juni 2000, derhalve binnen 14 dagen na de opgelegde last onder dwangsom, is vastgesteld. Het plan heeft voor het opleggen van de last ter inzage gelegen. Tegen dat bestemmingsplan zijn door eisers geen bezwaren ingediend.
Blijkens de stukken heeft verweerder overigens wel beoordeeld of het bouwwerk in casu gelegaliseerd kan worden. Daarbij is tevens ingegaan op de bepalingen van het nieuwe bestemmingsplan “Woonkernen”. Voor zover dat naar het oordeel van eisers niet tot een juiste conclusie heeft geleid, had het op de weg van eisers gelegen zulks aan te voeren in de procedure naar aanleiding van de opgelegde last onder dwangsom. Nu eisers dit hebben nagelaten, dient de rechtbank er thans van uit te gaan dat legalisatie door het verlenen van een vergunning niet mogelijk is.
Hetgeen overigens door eisers is aangevoerd kan evenmin worden aangemerkt als een nieuwe of gewijzigde omstandigheid. De door eisers aangevoerde argumenten hadden naar voren gebracht dienen te worden in een procedure naar aanleiding van de opgelegde last onder dwangsom, dan wel in een verzetprocedure naar aanleiding van het uitgereikte dwangbevel.
Op grond van het voorgaande kan niet gezegd worden dat verweerder niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.
Met inachtneming van het bovenstaande en op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb komt de rechtbank tot de onder III geformuleerde beslissing.
III. BESLISSING
De rechtbank Maastricht:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mr. T.E.A. Willemsen in tegenwoordigheid van mr. E.B.A. Ferwerda als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2002
door mr. Willemsen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.
w.g. E. Ferwerda w.g. Willemsen
Voor eensluidend afschrift:
de wnd. griffier:
Verzonden op: 13 november 2002
Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.
De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.
Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

